Te voet (een voetpadgedicht in de marge)

1
Nu wij hier liggen in de kantlijn

van de weg en haast onopgemerkt

een kussen zijn tussen u en het

door u gaand verkeer

mag u ons met voeten treden

 

wij zijn wat je vergeet

Vos die de passie preekt

en de kippen die hun kop

verliezen zo stil liggen wij

 

Wij zijn een vertraagstrook,

de pauze waarin u adem hapt

als u deze stad bekijkt

om wat ze is: een herberg

 

2
Nu wij hier liggen, onder ons

denken wij aan hoe je stapvoets

in gewrichten afstand meet

en iedereen zijn eindpunt heeft.

Hoe wat van iedereen is dan

misschien geen waarde heeft
maar hoe duur het later wordt

als alles plotsklaps op zou zijn

 

Nu keuvelen wij onder ons

en onder u goedige tred

over weinig in het bijzonder

het moet verdorie al hard vriezen

om ons nog uit de grond te krijgen

 

3

Nu lopen wij op elkaar uit

geven stevige handen als we

van naam veranderen wij worden

niet meer uit verband gespeeld

Wij kennen stratenmakers bij naam

mannen van zweet die weten

waar te krabben, met hun granieten

handen en hun hart in de schoofzak

 

wij zagen in hun grote brooddozen

vrouwen en kinderen zitten lachen

met hen zijn wij hier neergelegd

nu blijven wij met elkaar in verband

4

Nu wij dan zo waterpas zijn aangelegd
als een rivier mag u wel golfjes

in ons trappen, het gewicht van u pas

in ons leggen zodat wij levend worden

 

Nu wij met u gaan naar waar

u wezen moet en u niet tegenhouden

als u eens graag verdwaalt, uw voeten

achterna of wat u  onzichtbaar volgt

Nu voelen wij u amper als u weer eens

uw wolken over ons hebt uitgespreid

om de eischaal van uw pril geluk

niet bij het huppelen te laten breken

 

5

Nu wij, tussen ons gezegd en gezwegen

hier dan toch zo samen zijn.

Waar denkt u aan? Aan thuis?

Of smoort u denken met een fluitconcert?

 

Nu wij u dit vragen zit u

in uw hoofdtelefoon vooral te vergeten.
dat u geen auto bent met stereo effect ?
bent u het soort persoon dat over stilte valt?

Nu wij zo spreken struikelt u over dit woord
dat zomaar klakkeloos over een steen

ligt uitgesmeerd als de laatste affaire

van een TV gerelateerd gezicht?

 

6

Nu wij hier dan zwerven

met het vuil dat u achteloos

verlaten heeft of dat u met versleten

liefdes de deur hebt gewezen als een hond.

 

Nu wij het bloed hebben gedronken

van open fietsersknieën of scooterarmen

nu wij door de regen schoongeveegd

zijn wij nog amper poreus te noemen

 

Nu zijn wij van alles de lakeien

het geheugen dat geen taal meekrijgt

de dienaar die geen naam meer heeft

omdat hij nu eenmaal bij de meubels hoort

 

 

7

nu wij met u uit de winter stappen als uit een jas
die zo zwaar weegt als zijn warmte
merken we vermagerd dat de bondbeesten
ons hebben afgeknaagd tot lijven

 

nu wij merken dat u de cadeaus hebt

doorverkocht en de banketten uitgekotst

is er weinig zoets meer over dan een

schaars geklede vrouwenborst op stelten

nu vertrekken wij met haar op kale reizen,
komen terug op voorgenomen
verstandigheid, zetten alles in op rood
en worden overbloesemd

 

8

Nu wij naar zomers verlangen

lopen geuren uit keukens
en kersenbloesems door elkaar

als dronken tieners op een feest

 

Nu stoven we in ons eigen nat

op grootmoeders wijze

met zweet op onze onderlip

proberen we ons strandwaardig

te verhongeren

 

Nu zet men de stoelen op ons

buiten om buren aan de tand

te voelen over wat een winter lang

doorheen de muren klonk

 

9

nu wij: de stoepstenen, eerlijk gezegd
de enigen zijn aan wie de dichter
zijn verzen nog gesleten krijgt
houden we er stoflongen aan over

 

Nu kleuren wij na vijf zonnestralen

al weer pastel van tekenkinderen

wiens handen met een beetje hoop

reeds overvol gegiechel lopen

 

nu wij hier zo bont gezelschap zijn

verlangen we al naar een boterbloem

die tussen onze voegen groeien wil

en iemand die zal knielen om ze

in zijn bril te steken

 

10

Nu wij zo schoongeveegd uw trots

mogen zijn, uw uithangbord

het bewijs van uw goed gedrag en zeden

zien de gazons groen van jaloezie

 

Nu u ons in de barre kou

Sneeuwvrij gehouden hebt

Weten wij hoe uw vele handen ons werk

Lichter hebben gemaakt

Nu wij geen struikelstenen

of uitglijdstroken zijn hebt u onze

waar aard in ons naar boven geschuurd

de kortste weg naar uw medemens

 

11

Nu wij weten wat breken is

omdat veel uit uw handen dendert

en wij niet mee schijnen te geven

brengen wij u het geluk van scherven

 

Nu wij begrijpen wat vergaren is

dat vallen leert jezelf terug op te rapen

als kleingeld uit een lekke broekzak

is opnieuw beginnen aangenamer

nu u weet hoe broos succes wel is
nu weten wij hoe vaak u stuk moet

eer u een ererondje door de stad

krijgt toebedeeld en applaus over je rinkelt

als een glasbak die wordt leeggekiepert

 

 

12

Nu wij misschien niet moeders mooiste

steeds weer eerste stapjes zien en dus

een voorbode op de wereld wormen

voelen wij ons bijna uitgestrekt

 

Nu wij aan talloze kinderen vragen

of wij hun weg naar school mogen zijn

hun wees voorzichtig, kijk goed uit

hun ijsberende moeders elke avond

 

Nu zijn wij de loden schoenen

van een tiener die een openingszin oefent

voor een vader met tegenzin zijn dochter

overdraagt aan het blinde gevaar van vlinders

 

13

Nu wij de bloemen uit haar krullen vergaren

wanneer zij na het lichtzinnige dansen

haar hoofd weer ademruimte geeft

weten we hoe kort een bloei kan duren

 

Nu wij de bloesems van de kerselaar

snel weten platgetrapt en verregend

tot zoete pap durven we dit seizoen

niet minder bezig te noemen

Nu horen wij nachtelijks de dwaze gezangen

van  de minnaars die geloven dat liefde

geen wedstrijd is en de nacht luidkeels

verdromen die ze pas later met elkaar zullen beleven.
(hun liederen omhelzen elkaar bij de maan)

 

14

Nu wij een verbanningsoord voor rokers vormen

het Babel voor wie anders ademt

zwijgen we als kleine graven van de verhalen

die met het as over ons worden uitgestrooid

Nu smalen wij dat de kroegen

naar mens zijn gaan stinken, dat katjes

die men in het donker kneep en met katers

doorspoelde, vaker eenzaam huiswaarts keren

 

Nu horen wij loepzuivere jazz

van industrieel gerookte saxofoonrieten

druipen met valse lucht en diva’s die in gedachte

sigaren tussen hun heupen rollen

 

15

Nu wij eigenlijk in de grond

een dekmantel zijn, verhullen we

de aders die de stad zo intiem verbindt.

wat onder ons verdwijnt vergeet u snel.

 

Nu wij onder ons de leiding dragen

de kabels en draden. zijn wij het eufemisme

dat riolen overkapt, en uw angstzweet met het

badwater afvoert als u weer staat te blinken

 

Nu zijn wij misschien wel een moeder

die u warmte brengt, stroom en vrienden

binnenlaat, zodat u tot uzelf kan groeien

in dit hotel van voorzienigheid dat niet eens

een naam wil hebben.

 

16
Nu wij: voor de vogels van de wereld

een voederbak. De kruimelmussen en de

hangbuik duiven die zich op restfriet storten.
het prijsbeest  dat zich uit de pot verdwaalt

 

Nu wij, door de vogels van de wereld bescheten

rond de schilder die dagelijks wordt volgeklad,

de gedenksteen in een kauwgombad

het koppel dat door zijn eigen tortels wordt verrast

 

Nu zijn wij haast de bakermat

van een voedselketen, van mest

en nicotinekevers, dat ook van een stad

haast alles ooit wordt opgevreten

 

17

Nu wij op een verloren maandag

te drogen liggen van een plensbui

dampen wij, als een paard, u kan het zien,

dat het makke leven in zijn span op gang trekt

 

Nu worden wij onder de voet gelopen

door jagers zonder prooidier

die elkaar toebijten wie als alfa-shopper

eerst toe mag slaan op dodelijk gewonde solden

 

Nu zuchten wij als blijkt dat een mens

twee maal per jaar zijn drievoudige

gewicht kan dragen aan wat hij

in de trofeeënkast van zijn huis wil stapelen.

 

18

Nu wij de koude worden

van zijn zitten, met de scherven

uit zijn ogen, het zelfbeeld

dat niet meer in elkaar gepuzzeld raakt

 

Nu wij achter zijn rug

de namen horen die zijn dromen

krijgen toegemeten en het refrein

dat kinderen hard zijn voor elkaar

 

Nu zouden wij knielen als we konden

fluisteren: “je bent er nog, je silhouet

is niet op ons gekalkt, sta op, iemand heeft

in zijn tuinhuis de zon voor jou gemaakt”

 

 

 

19

Nu wij ons een berg herinneren

het dynamiet, de kapmachines

zijn wij het bewijs, dat je alles

kan verzetten, ook een volk.

 

Nu wij elders mensen

met een vlakte achterlaten

zijn wij misschien de hoorn waarmee

een neushoorn zijn leven betaalt

 

Nu vermoeden wij dat

indien we anders waren gestapeld

wij een kasteel hadden kunnen zijn

dat alles een kwestie van kiezen is.

 

20
Nu wij de prinses nog weten

met de mascarawallen en magere

littekenarmen zijn we nog verliefd

op  het aquarel dat ze in het onweer was

 

Nu aanbidden wij haar schreeuwen

haar afgebroken nagels en de

ruwe man waarop ze bonkte

als de stemmen tegen haar schedel

tot ze sliep

 

Nu aanschouwen wij het

ontknoppen van haar vleugels

zijn armen en het bloemenperk

hun ademhalen uit één mond

 

21

Nu wij vast zijn en dus beter

geluid geleiden dan de lucht

kan je een oor op ons leggen

de trein horen naderen voor je hem ziet

 

Nu wij vast zijn en dus dichter

dan water kan je op ons lopen,

wachten en je leven niet voor de wet

van massa en snelheid gooien

 

Nu wij vast zijn en met velen

kan je ons tellen  heel luid

tot je de wanhoop overstemt

die mantra dat dit haar eindhalte was

 

22
Nu wij hier het enige nu zijn

ligt onder ons de geschiedenis

in kannen en kruiken van aflijvigen

te lezen voor de mollen en wormen

 

Nu herbergen wij diep onder ons

de fossielen die nog enkel brandstof

zijn voor kindertekeningen en verhalen

van zo diep en lang geleden dat je slaapt

 

Nu worden wij ’s  nachts door

sterrenhemels met het licht van

jaren geleden beschreven, vragen

en mysteries die haar dronken maken.
23

Nu wij niet geheel zijn voorbedacht

of wij u een rij dan wel een groep

toemeten, of u handen geeft,

loslaat, samen of gescheiden leeft

 

Nu wij vaststellen dat een beweging

begint wanneer een tweede

bij een dwaze eenzaat aansluit

start eenzaamheid bij het eerste verlaten

 

Nu geloven wij dat onze schepper

op vakantie is vertrokken en niet langer

gerechtelijk aansprakelijk

voor de dwaze kuren van uw vrije wil

 

24

Nu wij uit kinderkelen honger horen

naar kilometers achter eigen benen

met brommergeluiden en “pak me dan

als je kan” richting het leven:

 

Nu wij uit verzuurde kamers horen

dat overlast geen kinderspel

maar niet het omgekeerde geldt

kan je van ons tweerichtingsverkeer leren

 

Nu horen wij al een eeuwigheid

wat het kreupel gefaalde verleden

uit de valkuil van herhaling over de

toekomst van tegenwoordig blijft beweren.

 

 

 

25

Nu wij  in alle straten een sociaal

netwerk vormen met elkaar kan u

hier vriendschap smeden die niet

in de toonbank van een website ligt

 

 

Nu wij misschien zijn voorbijgestreefd

steken mannen en vrouwen hier nog

dagelijks uw bus vol draadloze berichten

waarop u ijsberend wil wachten

 

Nu gunnen wij u  slechts enkel

bereikbaar te zijn  in uw eigen lijf

van overdag een berm waar

vallen meevalt en geaarzel mag

 

26
Nu wij, met de muizen leven

de ratten en de kakkerlakken

onderschrijven wij op uw zolen

dat de stad een jungle is

 

Nu classificeren wij die fauna

in gazellelichte prooimeisjes,

pronkruggen, brulapen, luiaards

suikerspinnen en jachtluipaarden

 

Nu glimlachen wij in al onze voegen

over de bandbreedte van die riem

vol fabeldieren en zwaaien stiekem

wanneer Julie met haar hondje passeert

 

27

Nu wij voor het eerst werden gekust

door de jonge vrouw die elk elders

op haar landkaart had bezichtigd

en verheugd was met ons wachten

 

Nu wij in haar als een zool gegroefde

Lippen de wereld vonden, en zij in ons

een wortel van de boom waaraan

de aarde slechts een appel

 

Nu grijnzen wij om dit theater

dat ze van een oude paus ontleende

haar heimwee die nu in een rugzak

nog weken onderaan de trap mag weken

 

 

28

Nu wij, stuk voor stuk

zwijgen als de graven

die we zijn, vinden we

vergaan zo erg nog niet

 

Nu wij harder dan het krijt

ons tegen de slijpende sleet

verweren is de verwoester

bezig met eeuwige getijden

 

Nu lossen wij u bij elke

schrede, tot de afstand

aan u sleept als een koortsig

lief dat u haar kamers toont

 

29

Nu wij het einde zien van alles

wat samenloopt, bent u onze

leukste omstandigheid, het meest

verzachtend, ons puurste toeval

Nu zouden wij land met u bezeilen

indien we in het water vielen

als dwaze plannen. We zouden

u volgen moest u onze naam ooit raden.

 

Nu zingen wij uit onze betonnen kelen

uw lied bij monde van een bijziende

dichter, Vos die de passie preekt

en wij die als hoofdloze kippen

hier samen mogen vertragen.

 

30 (epiloog)

Nu wij ons laten beschrijven

Is de dichter zo te laat zijn als spijt

ruilt hij een ochtend zijn beroep in

om te verliezen in loden schoenen van tijd

 

 

nu wij met hem te laat zijn draagt hij

van een zandlopervorming schoolplein

een makker weg die toont hoe tijd het is

dat hun vallen is begonnen

 

Nu wij met hem zo te laat zijn als spijt

zijn ze een omweg voor elkaar

dezelfde straat waar ze steeds vaker

iemand uit zullen komen wuiven.

 

2 thoughts on “Te voet (een voetpadgedicht in de marge)

  1. liesbeth aerts zegt:

    heerlijke, lichtvoetige tekst met angels en haakjes. Een tableau vivant, een echte ‘Driesen’ die ik alvast bewaar voor wanneer je een beroemd en gevierd dichter bent..!

  2. […] de noemer “te voet (een voetpadgedicht in de marge)” begint de Turnhoutse dichter Tom Driesen op donderdag 21 maart aan een huzarenstukje. Hij zal […]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: