Maandelijks archief: februari 2013

Pinguins (voor Jelmer)

We zijn pinguïns Jelmer.
Onze vleugels slaan
de koude uit ons lijf
als wij dromen van een

vogelperspectief,
moeten we verten over
traag en schuifelend
als obers van taal
in de pitteleer
van ons stramien
een processie van verlatenheid.

Wij staren holle einders in
alsof we de overkant
nog weten. Ooit is er
tussen ons en de wereld
een zee gesmolten

spookverhaal

Als je je hoofd  maar goed genoeg verbergt
kan je er alsof niet zijn
je handen trekken muren op, de kieren
tussen vingers sleutelgaten,
je kan een andere kamer worden voor jezelf

we zijn vier benen onder wollen bloemen
Aan de kou kan je hun bleekheid voelen
we geloven niet in spoken, maar het helpt
erop te lijken, al gaan we krabbelings

en onze hoofden bij elkaar, een schaduw
uitgerold als deeg mijn rechterhand
tintelt het meest we mogen zo geheim zijn
als in gietijzer druipt de regen luider
dan je hart. Morgen leren we wellicht Frans
om erin te leren kussen

nu ontdekken we alvast hoe we tenen krullen

Dan

Dan

Als één van ons verloren gaat
zal de ander onbruikbaar worden.
Zoals handschoenen waarvan
er één op de tram blijft liggen.
Ik zal aan een eindstation
bij alle linkerhanden worden
opgestapeld en jij zal thuis
nooit meer zo toedekken
in mijn afwezigheid
zal iets bloot gaan liggen.

Als het zover komt
zullen wij vervangen worden
door iets
Dat tegen winters kan.

Engelengeduld

mijn vleugels passen niet
voor engelengeduld
ik kan wachten
Het liefst op weinig
iets dat van zichzelf  is
een ochtend of een bloei
iets kortstondigs
ik hou zo van voorbijgaan
omdat ik het zo moeilijk kan
ik ben van lange draden

iets mag zich niet ‘mijn’
noemen en ik schiet al vonken
alsof mijn ballen silex zijn
hier is een vers
dat onthecht
op losse regels staat
en zijn pinguïnvleugels
niet verbrandt
aan duivels verlangen

feest

over de opgewreven tafel schaatsen
we, omdat vallen zo voorbarig
ons vermoeden breken zou

alles glimt van bier, en honing
is niet meer ruikbaar in haar krullen
nu niet slapen, dadelijk wordt ze echt

als het feest uitloopt in monden
onze ogen afzakken, zonder schoenen
smelten haar manieren als pompoen,
“we geven het geen naam”
zegt ze “een jaartal en een plaats
volstaat voor confituur en die blijft jaren”

ze graaft zich in mijn jas
om extra zwaartekracht onze longen
zijn ballonnen, waanneer ze
leeglopen is iedereen naar huis

moedig

Ik weet niet
hoe dat gaat:
Elke ochtend
in de spiegel
iets zien dat
boven een tienerbed

zou kunnen
op papier

dat van staal
of toch tenminste
zonder struikelen
buiten raakt
met ledematen
tekort om zich
op te rapen.

Angst is de mug
die me een nacht lang
wakkerfluistert
dat het pijn zal doen
tot ik een wang
blauw sla.

moed, is op papier
formeel,
een soort contract.
Maar in de spiegel
is een zelfbeeld
vooral
schrappen wat niet past.

2x+12

 

Er zitten twee demente dames
achter de ruiten van mijn bril.
De lamp brandt als ze wuiven
maar contact is broos
met wat er omgaat buiten.
Passanten zijn zo eventueel
als de herkenning van een vreemde
die weer steeds een ander is.

 

Een kraai pikt woorden uit
het gemak waarmee spreken,
krast namen uit gezichten.
Ze kleuren wat ze van het licht
vergeten, bij met herinnering.
Er ligt mist over de dingen.
Duisternis is wit als het begint.

Orpheus

Mijn lief ik ben zo gek nog niet
Ik weet hoe je droomt
dat de mannen komen
Dat je ’s morgens vreest
dat ik mezelf heb meegenomen
naar waar je me niet vinden kan
Een land waar ik je taal niet spreek
waar elk woord breekt
Voor het in mijn goede aarde valt

Dat je dan de hel doormoet
en niet meer om mag kijken
Ik weet dat je te monogaam
Bent opgevoed om van elke man
in mij te houden.
’s nachts verander ik
In de vreemde die je leest.
Je vergiet twijfel in twee glazen
zegt: “zolang je me niet breekt
Zal ik je sterker maken.”