Maandelijks archief: september 2012

New York

Zoals ik vroeger, blote voeten

Onder een sprei

mezelf onzichtbaar dacht

Vermoed ik van  jassen

Dat ze iets weeks verbergen

 

Een stad barst uit

Slecht groeiende voegen

Het scheurt tussen ons

Ieder sleurt zijn geesten mee

 

terwijl bij valavond

lange avondvingers

leerglans in straten wrijven

Moet ieder hier dagelijks

Uit zijn schaduw groeien

Advertenties

De liefde in drie bedrijven

1

In het eerste bedrijf van de liefde

Leg je handen als een bord op tafel

om met hongerogen en een lege koffie kop

haar verlangend de warmte van het lijf te kijken

 

onder borsten kloppen moederharten

levenslang al wiegeliedjes, sussend

in de bloedende buik, waar kinderen

op de tong liggen als ongestelde vragen

 

In de schelp van je oor zal stilte

weerkaatsen tot ze zingt als de zee

De melk uit je skelet kussend, zal ze

spieren wakker strelen tot je ze draagt

2

 

Je had haar nooit kunnen vermoeden

Zo grenzeloos naakt als ze daar

In het water stond over te lopen:

Een golf die even het water

een lichaam gaf en weer verdween

 

Geen prent uit een schoolboek

over het paradijs had je ooit

in haar doen geloven, niet

 

Zolang je hier gestrand haar niet mocht

Bezeilen, als een honingzoet land

 

Nu zou je haar belijden in de verboden

Fonemen van haar ademhaling

De reflexen die in de geoliede machine

van haar huid een nieuw getijde maken

een hondsdolle dans met de maan

3
op ochtenden waarin koele klaarte
uit het gras doorheen je spieren stroomt

als frisse slokken lucht voor een hete dag
zal ze je vertellen dat je een drenkeling was

 

die zich in de nacht van de Venusovergang

had bezat aan honderden wensen  uit flessen
het zal je duizelen

 

je zal je de zee herinneren die al haar wanhoop

als een potvis op de kade spuwde

onverteerbaar, zelfs voor een geoefende gal

 

ze zal het buitenzinnige bezinksel in je ogen
lezen als het koffiedik in de kom van de maan

ze zal het niet herkennen

 

ze zal je strak gespannen verlangen
met een onweerstaanbaar zachte omhelzing
van tafel vegen als een slecht argument

haar rug aanschouwend, kan je enkel denken
hoe haar hoogtelijnen elke middelmatigheid provoceren

Getagged , , , ,

De dichter

1

om de stilte in zich te concentreren
drinkt hij water uit afgelegen bronnen
dat diep uit bergen was opgeborreld
en Industrieel  gebotteld

2

In het hok in zijn tuin waar hij

in de verre autostrade de zee hoort
blijft van chips de zilte korrel achter
van getijden-loos wachten op zijn tong.

3
En haar enkels, waar anders te beginnen
Hij ontbeert haar zoals zijn huid het licht moet derven.
Wanneer zij in donkerte binnentreed ligt haar
manifeste lijf naast zijn lijvig manifest te verdorren

4
kijk: zijn geslacht: het huilende beest
dat hij in schapenvellen windt
het wil toeslaan, maar lam staart en bezingt hij
haar borsten en heupen met de godganse fauna en flora

5

Voor wie, verdomme voor wie zou hij zich tomen
In elk pand gapen de omlijstingen als tochtige wonden
sinds er geen deuren meer aan voetzolen kunnen
onderworpen worden, sinds niemand hier nog schenen heeft

6
Hoor hem maar balken en blèren wanneer hij
de woorden, die ooit als aardbeien uit de punt
van zijn twijgdunne pen bloedden, weer ophoest:

overrijp en tot krenten verdroogde vloeken

7
’s nachts de flessen, als enigen glashelder
naast de lamme hand met de schrijf en rookstok
zijn boek met het hoofd naast de asbak waarin
de zuipers en knokkers, kreupelen en lustigen nasmeulen

8
Op zijn nachtkastje als een soort harttabletten
dikke pillen verzameld werk, tegen de snurkhand die
achter elk kwatrijn een punt wil zetten. Dat hij tegen
de strop boven zijn bed kan zeggen dat aflijvigen worden gelezen
(zij wel)

9
Het zacht bespannen vocht van zijn oogvlies
geruisloos ongebroken. Hij die de stad overschouwend,
naar resonantie speurt. Hij hoopt al lang niet meer
op uitslaande branden door de naschok van zijn paukenslagen

10

Als hij voor de zevende keer zijn bed verlaat om de prostaat
van zijn inspiratie uit te laten lekken, puzzelt hij verdwaasd een bril
samen, plukt vijf kleuren maan uit haar krullen En gaat in boxer

met natte plek tranen onder ogen hangen alsof hij een kersboom versiert

11
Hij weet nu dat alles voorbijgaat en dat hij niet

in foto’s gelooft. Hij wuift het krijt weg van borden,

vergeet graag dat het zonder hem wel verder sterft,
de eendagsvrienden en de nachtvlinders die zich aan de lamp vastzuigen.

12

Hij veegt zijn dag af aan de krant. En wat hij leest

zuigt zich vol geuren van verteerde gezelligheid.

Hij pruttelt nog dat elke grafsteen toch maar

één citaat kan dragen, schuldig buigen luistert best.

Getagged ,